Berichten van JogchemLaat ik vast mijn oprechte excuses aanbieden voor alles wat gaat komen en waar ik me toch om een of andere reden voor zal moeten verontschuldigen. |
|
Alles is opgelost zodra ik maar ergens anders ben, iets anders doe, andere mensen ken en volstrekt iemand anders ben. |
|
Iedereen is weleens op zijn eigen rouwdienst geweest. Het ligt voor de hand om je af te vragen hoe dat eruit zal zien. Wie zal er zijn en wat zullen ze zeggen? Zelf ben ik er regelmatig. In het begin hield ik me op een afstand. Later mengde ik me vrij tussen de gasten, die zich niet leken te verbazen over mijn verschijning. Ik ben een vreemde gast, die de plechtigheid iedere keer volledig verandert, zonder dat iemand me iets kwalijk neemt. Ik verplaats de bloemen en zet andere muziek op. Ik zet mensen verder naar voren of achteren, breng ze aan het huilen, of laat ze gemene dingen denken. Sommigen stuur ik de kerk uit en anderen haal ik binnen: een of meerdere ex-vrouwen, kinderen, of zelfs kleinkinderen. De dominee, die iedere keer een andere preek krijgt voor te lezen, stuur ik soms de kerk uit, omdat ik niets met zijn overtuigingen te maken wil hebben. Alleen om hem later weer het altaar op te duwen, als ik me realiseer dat de dienst vooral bedoeld is voor de nabestaanden en mijn opvattingen er niet meer toe doen. De dienst is steeds anders, omdat ík steeds anders ben. Hoe zou het zijn om aan het eind van mijn leven al deze versies van mezelf nog eens tegelijkertijd aan de slag te zien? Als een krioelende mierenhoop, steeds maar schikkend en herschikkend. Ik zie al hoe ze elkaar in de weg lopen, schreeuwende ruzie krijgen en touwtrekken met een vage kennis die al of niet genoeg om me zou geven om aanwezig te zijn. Wat zou ik, de uiteindelijke, dode ik, hiervan zeggen? Ik denk dat ik ze allemaal zou wegsturen. Ze hebben wel wat beters te doen. |
|
Ik zou een boek kunnen schrijven over het leven dat ik had willen leiden, maar kom nooit verder dan deze notitie. |
|
Echt sociaal ben ik niet, maar ik probeer eraan te werken. Daarom ben ik vanavond naar cafe Ons Kent Ons te gaan. Ik twijfelde nog of ik vroeg zou gaan om iedereen te zien binnenkomen, of juist laat, wanneer de avond al een tijd op gang was. Dan maar de middenweg: elf uur. De stemming zat er al goed in. Het was benauwd, druk en lawaaierig: omstandigheden die in een café samenkomen tot gezelligheid. Ik hoopte een bekende te ontmoeten, hoewel ik me niet kon voorstellen dat iemand die mij kende me hier zou willen spreken. Er was geen plek om te zitten. Ik kocht twee biertjes en ging op weg naar een denkbeeldige bekende, even verderop. Onderweg zou ik toevallige gesprekken aanknopen met mensen die in de weg stonden. Voor de gelegenheid had ik een vuurtje bij me, want je weet maar nooit. Terwijl ik door de menigte liep, merkte ik dat iedereen netjes een stapje opzij deed. Dit was niet de vriendelijkheid waar ik op uit was. Zonder enige moeite bereikte ik de andere kant van het café. Een nieuwe tactiek. Nu iets gewaagder. Toen ik binnenkwam zag ik hoe een jongen bier over een iemand morste, zich verontschuldigde en een gesprek begon. Dat kon werken. Eerst moest ik een slachtoffer vinden dat enerzijds niet onverschillig zou zijn voor wat spetters bier en anderzijds niet al te kwaad zou worden. Verderop zag ik een meisje staan, dat me wel geschikt leek: erop af, weer door de menigte. Een paar passen van haar vandaan, zag ik haar plotseling opkijken. Ze keek naar me. Ze glimlachte. Blijkbaar was mijn plan al niet meer nodig. Ik lachte terug en kwam opgelucht dichterbij. Ze bleef lachen, maar leek me niet meer recht in de ogen aan te kijken. Toen zag ik dat haar glimlach helemaal niet voor mij bestemd was, maar voor de jongen achter me, die zich langs mij wurmde om het meisje te bereiken. Een seconde later waren die twee met elkaar in gesprek en stond ik weer verloren in de menigte. En ik werd klein. Ik besefte dat cafe Ons Kent Ons geen plek was voor mij. Ik parasiteerde op de goede sfeer. Ik voelde me schuldig omdat ik ruimte innam. Na een tijdje roerloos stil te hebben gestaan heb ik mezelf uit het cafe verwijderd. In de stille straten kwam ik langzaam tot mezelf en merkte ik dat mijn handen nog steeds twee volle bierglazen vasthielden. Nu ligt het bier in de bosjes en staan de glazen hier op mijn bureau. Straks ga ik proberen het Amstel-logo eraf te schrappen met een stanleymesje, zodat ik ze ook als melkglazen kan gebruiken. Een aandenken aan een verwarrende avond. Er kan heel wat in. Dat is handig, want dan hoef ik niet meer bij te vullen. |
|
Ik ben niet gelovig, maar aan het eind van mijn leven wil ik best van een diepe, galmende stem te horen krijgen wat ik eigenlijk had moeten doen. Ik ben benieuwd. |
|
Laat ik voorop stellen dat ik het niet eens ben met de gedachten die ik hier zal schrijven. Toch schrijf ik ze op, omdat ik er niets over te zeggen heb. Gedachten overkomen me, zoals alles me overkomt. Sinds enige dagen heb ik heimwee naar vroeger. Niet omdat het toen beter was. Ik weet maar al te goed dat er nooit een periode is geweest waarin ik niet verlangde naar iets anders. Dus ook geen periode die op zichzelf de moeite waard is om naar terug te keren, al zou dat kunnen. Toch heb ik heimwee naar vroeger, omdat ik toen mijn kansen nog niet had verspeeld. Of beter gezegd: toen ik er nog geen gewoonte van had gemaakt mijn kansen te verspelen. Ik zou een genie worden. Een groot wetenschapper, schrijver, of filosoof. Ik had alles in me om een genie te worden. Alles behalve een ruggegraat. Ik voel me als een verbitterde oude man die terugblikt op zijn volledig mislukte leven, dat is samen te vatten als een gemiste kans. Natuurlijk weet ik maar al te goed dat ik nog genoeg kansen krijg om iets te bereiken, maar dat is totaal geen troost. Het maakt het juist des te pijnlijker. Ik weet dat alles wat ik zal doen om mezelf te ontwikkelen niet meer zal worden dan een halfhartige poging. Ik zal mislukken op ieder vlak, omdat het niet in mijn aard ligt iets te bereiken. En weten dat je zal mislukken is veel pijnlijker dan weten dat je bent mislukt, omdat het nog moet plaatsvinden. Intussen heb ik het recht niet om te klagen en lachen de kansen die aan me voorbij gaan me in mijn gezicht uit. Ooit zal ik zal zeggen: "Ik zei toch dat het niets zou worden?" Die uitspraak wordt de kroon op mijn werk. |
|
In hoeveel fotoalbums zou ik voorkomen? In de achtergrond bij een gezin op stap, een groep vrienden, of een verliefd paar? Zouden ze me opmerken? "En wie is die jongen eigenlijk?" - "Die? O, die liep daar toevallig." |
|
Het is eruit! Ik heb een gedicht geschreven. Het gaat over de eenvoudige man die door een lang verdrongen oerdrift argeloos wordt losgerukt uit zijn gedachteloze alledaagse beslommeringen en een noodzakelijk pijnlijk -maar ook verhelderend en mogelijk zelfs bevrijdend- inzicht krijgt in zijn netelige positie:
snap je? |
|
Ken je dat? Dat mensen elkaar ongemerkt imiteren? Als ze druk in gesprek zijn, zie je ze tegelijk een slok bier nemen of aan hun haar zitten. Als je in een stille ruimte kucht, breng je anderen op een idee. In de metro moest ik eens geeuwen. Die geeuw werd door drie mensen doorgegeven. Maar als je zo'n reactie expres op gang wil brengen, lukt het bijna nooit. Pas probeerde ik het nog. Tegenover me in de trein zat een meisje van wie ik vermoedde dat haar tanden naar voren stonden. Het was duidelijk te zien aan de manier waarop haar lippen over die tanden waren getrokken. Het kon ook zijn dat ze een beugel had. Of misschien was haar kin gewoon te klein, waardoor de rest van haar gezicht niet goed in verhouding stond. Ik wilde het weten, dus probeerde ik haar aan te steken met een geeuw. Ik geeuwde mijn meest verleidelijke geeuw, met een voldane zucht aan het einde. Maar ze wendde haar hoofd af en keek voor de rest van de reis strak uit het raam. Haar tanden zijn voorlopig nog een raadsel voor me. Af en toe zie ik haar nog. Maandag liep ze mijn coupé binnen. Ik zette mijn tas voor haar opzij, maar ze ging verderop zitten. Ik hoopte dat daar een bekende van haar zat, zodat ik haar tanden kon zien als ze praatte. Maar het was geen bekende. Als ik haar ooit weer in de trein zie, zal ik proberen tegenover haar te zitten. De laatste paar dagen werk ik al aan mijn geeuw. Het is al een stuk overtuigender geworden, al zeg ik het zelf. Nu maak ik wat minder geluid en geeuw ik wat langzamer en subtieler. Eigenlijk zou ik eens moeten opletten hoe mensen echt geeuwen. |
|
Stilte. Is het echt opgehouden? Mooi. Sinds dat stel hiernaast is ingetrokken, lig ik wakker van een ritmisch gekraak en gebonk. Ik heb mezelf ervan kunnen overtuigen dat ze iedere nacht een ikea-meubel in elkaar zetten. Echte klussers zijn het niet. Vooral zij verliest snel haar geduld. Maar vannacht hebben ze toch weer een flinke klerenkast in elkaar gekregen. Het moet zo onderhand wel vol raken. |
|
Normaal gesproken ben ik te diep in mijn eigen gedachten verzonken, maar soms zie ik plotseling hoe slaapverwekkend saai ik voor anderen moet zijn. Wanneer ik mezelf zo zie, krijg ik medelijden met iedereen die met mij te maken krijgt. Mijn matte blik. Afwezig. Apatisch. De inspanning die de ander moet leveren om nog iets menselijks in mijn woorden te herkennen. Het lijkt me doodvermoeiend. |
|
'Intiem' is wanneer ik
stiekem plaats neem in de warmte, |
|
Tijdens een nachtelijke wandeling loop ik langs een basisschool, waar in een van de lokalen het t.l.-licht knippert. En plotseling zie ik het voor me. Het ondeugende jongetje dat voor straf moest nablijven en door een verstrooide leraar is vergeten. Daar zit hij dan. Zijn vriendjes zijn al lang thuis. Zij hebben gegeten, t.v. gekeken en nu liggen ze vast op bed. Maar híj moet nablijven omdat hij aan het lichtknopje zat. Gefrustreerd om zijn veel te zware straf richt hij zijn woede op dat knopje: aan, uit, aan, uit. Een stil verzet tegen de grote mensen die nog veel ondeugender zijn. Zij plaatsen expres lichtknopjes op die hoogte. Welk jongetje kan zoiets nu weerstaan? Aan, uit, aan, uit. Zij sluiten kleine jongetjes een hele nacht op. En samen lachen ze erom. Aan, uit, aan, uit. Een zinloos signaal in de nacht. Terwijl ik verder loop, vraag ik me af of hij later zijn eigen web site zal maken. Hopelijk niet. |
|
Waar haal ik het toch vandaan? Wat móet ik ermee? In mijn hoofd ontving ik de Valentijnskaart die ik nooit zal schrijven:
|
|
Soms krab ik
mezelf, zonder dat ik het in de gaten heb. Het is me nog niet duidelijk waarom ik mezelf
krab, Wat precies, weet ik niet. |
|
Misschien maak ik
hier een wat sombere indruk. |
|
Ik sta al in de lift als ze plotseling binnen stormt. "Hou vast!" Ze lacht en drukt op een knopje. Ze is ongeveer mijn leeftijd. Misschien wat jonger. Een wat onhandig meisje met nat haar en een bril. Een klein brilletje, dat ze droogt met de mouw van haar trui. Ik zal een leuke opmerking maken over de regen, de lift, haar bril. Ik weet nog niet wat. Intussen stel ik me voor hoe het is om met haar in gesprek te raken. Eerst over het weer en al snel over de dingen die ons echt boeien. We blijken veel gemeen te hebben. Heel veel. Het voelt zo vertrouwd. Alsof we elkaar al jaren kennen. In de beperkte ruimte van de lift en de korte tijd die nodig is om naar de twaalfde te komen, beleven we jaren van onuitgesproken geluk. De tiende verdieping. Met haar natte jas botst ze tegen mijn schouder en ze stapt de lift uit. "Sorry." Ze lacht wat ongemakkelijk. "Geeft niet. Het is beter zo," denk ik. Als de liftdeuren tussen ons dicht schuiven, ben ik niet treurig. We blijven altijd goede vrienden. |
|
Ik kan maar niet ontkomen aan die drang om weg te gaan. |
|
Ik lig weer open. Ik lig constant open, in een eindeloze analyse van mezelf. Iedere handeling moet worden verantwoord voordat die mag worden uitgevoerd. Iedere gedachte moet passen in het geheel of worden gemarkeerd als onlogisch en geplaatst op de wankele stapel van nog te interpreteren gedachten. Ik ben moe maar probeer wakker te blijven. Achter mijn zware oogleden verschijnt het beeld van een rat: een laboratoriumrat die zo is gemanipuleerd dat hij op het geven van een signaal onmiddellijk op zijn rug draait en spontaan ontleedt. Ik zie hoe de huid op de buik in de lengte openbarst en de genummerde organen onthult. Helder en overzichtelijk. Deze in het wild ondenkbare soort zou voor onderzoekers waarschijnlijk goed van pas komen. Maar wat als deze eigenschap te ver werd ontwikkeld? Het zou onhandig worden wanneer een rat van deze soort zichzelf bij iedere impuls opoffert voor de wetenschap. Bijvoorbeeld als een onderzoeker alleen wil weten of het diertje misschien honger heeft. |
|
Ik leg mijn hoofd in mijn handen |
|
Ooit bedacht ik een theorie over de relativiteit van geluk. Het kwam erop neer dat je je in wezen niet goed of slecht voelde, maar beter of slechter dan voorheen. Dit opende een nieuw pad naar geluk: door mezelf zo diep mogelijk te deprimeren. In de opluchting daarna zou ik iets ervaren wat geluk moest zijn. Het blijft mijn favoriete theorie. |
|
Er zijn weer huilende mensen op t.v. Ze hebben spijt van iets wat ze niet helemaal hebben onthouden. Ik haat zulke programma's, maar blijf staren naar die mensen. Ach, het is al weer afgelopen. Nu komt het beste stukje: alle omhelzingen in slow-motion achter elkaar, met een gevoelig muziekje. Het is te makkelijk en te flauw om commentaar te geven. Ik ben gewoon jaloers. Jaloers op die domme mensen die tranen voortbrengen. Ze kunnen zich volledig overgeven aan hun emoties. En dat betekent dat ze ook in staat zijn om te genieten. Ik kan mezelf nooit serieus nemen als ik probeer te huilen om een onduidelijk verdriet. Ook wanneer ik zomaar vrolijk ben, werk ik mezelf tegen, want vrolijkheid is toch altijd tijdelijk en zonder reden. Zo leid ik het meest stabiele leven met de minste betekenis. Tijd voor een soap. |
|
Vandaag waren er veel stelletjes op het station. Het kan ook zijn dat ik ze voorheen over het hoofd zag. Ik kan me voorstellen dat het zien van dit geluk vertedering oproept. Of misschien afkeer. Zelf heb ik nog niet besloten welk gevoel ik eraan moet toekennen. Afgunst is misschien wel gepast, omdat ik zelf niet zo vlot om kan gaan met leden van het vrouwelijk geslacht. Het is trouwens nog maar de vraag of ik dat wil. Hoewel, die vraag biedt zich alleen aan omdat ik toch in de waan wil leven dat ik een keuze heb. Het afwijzen van een denkbeeldige optie is prettiger dan het besef van je machteloosheid. Een besef dat op zich niets aan die machteloosheid verandert. Maar daar gaat het nu niet om. Ik lieg en ik weet het. Die stelletjes zijn gedachtenloos en als ik eerlijk ben wil ik hier ook niet over nadenken. Ik wil gewoon zinloze, puur op lust gebaseerde 'relaties'. De een na de ander. Ik wil de liefde bedrijven op vreemde plekken, met meisjes die ik kan vergeten. Al is het maar om te kunnen zeggen dat ik die periode heb gehad. Dat ik na die wilde jaren wel wat wijzer ben geworden. Ach, laat ook maar. Blijkbaar ben ik te vroeg te wijs geworden. Met die gave zit ik opgezadeld. |
|
Het idee dat ik zal sterven, heeft me nooit verontrust. Als het zo ver is, laat het dan maar gebeuren. Maar waar ik me aan stoor is dat de dood zich constant als mogelijkheid aanbiedt: wanneer ik uit het raam naar beneden kijk, op het station mijn trein zie naderen, langs het donkere water aan de overkant loop of gewoon een appeltje schil. Het is een optie, die steeds even moet worden overwogen en afgewezen. Zoals al mijn talenten, is ook dit vermogen om overal de dood in te zien volkomen nutteloos. Ik zal er nooit bewust voor kiezen, want ik heb nog nooit een keuze kunnen maken waar ik niet op terug kon komen. En wanneer het me overkomt, ben ik even machteloos als ieder ander. Stel: ik word getroffen door een komeet. Het enige voordeel wat ik dan heb -voor zover het een voordeel is te noemen- is dat het me niets verbaast. |
|
Vandaag was een fijne dag. Van de dingen die ik me had voorgenomen te doen, heb ik gedaan wat ik werkelijk van plan was en uitgesteld wat ik me slechts had voorgenomen om het lijstje uit te breiden. Het is altijd een fijne conclusie dat een dag geslaagd is. Ik ben tevreden. Als beginnende puber vroeg ik me ooit af of ik wel gelukkig was. Een tijd lang probeerde ik iedere dag te beoordelen: plus, min of plusminus. Ik zou de gegevens in een grafiek uittekenen, zoals ik dat op school leerde bij wiskunde. Die grafiek heb ik nooit getekend. Nu ik wat ouder ben, zie ik dat het nastreven van geluk niet nodig is. Ooit zal mijn herinnering aan deze periode zo zijn vervormd dat ik oprecht kan zeggen: "Toen was ik gelukkig." En ik zal het geloven. Geluk is om naar uit of op terug te kijken. |
|
"Sorry. Weet je misschien hoe laat het is?" - "Nee. Sorry." "Je hebt een horloge om." - "Die doet het niet." Ik hoef niet te weten hoe laat het is, omdat ik nergens voor op tijd hoef te zijn. Dat is een luxe die gemakkelijk vanzelfsprekend wordt. Vandaar dat horloge, dat sinds 1996 niet meer loopt. Af en toe kijk ik erop en denk ik: "och." |
|
Twintig minuten. Minstens. Misschien heb ik wel een half uur voor de televisie gestaan, wachtend op een goed moment om dat ding uit te zetten. De laatste beelden. De laatste woorden. Die zijn het belangrijkst van de hele avond. Omdat die het langst blijven hangen. Niet als gedachten. Niet om hun inhoud. Maar als echo's van waarnemingen gonzen ze in mijn hoofd: "en voor een intense work-out voeg je wat weerstandsbanden toe... voeg je wat weerstandsbanden toe... weerstandsbanden toe..." De knop had ik al ingedrukt. Als ik hem losliet, zou het afgelopen zijn. Maar wanneer? Niet midden in een zin, want dan vraag ik me altijd af hoe die eindigt. Ik krijg geen rust voor ik alle mogelijkheden, die eindeloos zijn, op een rijtje heb. Intussen is het te laat om de t.v. weer aan te zetten voor het goede antwoord. Zo stond ik dus vast. Alsof ik een handgranaat vasthield, waar de pin al uit was getrokken en die, zodra ik hem los liet, tot ontploffing zou komen. Ik vroeg me af naar wie ik hem wilde gooien. Er kwam een omroeper voorbij. Een publiek. Een deskundige. Huisvrouwen met vuile vaat. Absorberende kernen. Een glimmende auto. En uiteindelijk de vlakjes en lijntjes van het testbeeld. Dit was de meest zinvolle uitzending, omdat het over niets anders ging dan de beeldbuis zelf: de kleuren, het contrast, het kader. De televisie werd weer een apparaat, als een lamp, die gewoon uit moest omdat we hem 's nachts niet nodig hebben. Een flits en het was gedaan. |
|
Ik ben de ongelukkige helft van een tweeling in de reclamewereld. Mijn broer, die ik uit het oog ben verloren, kreeg het betere scheermes, de onweerstaanbare after shave, het effectievere fitness apparaat, de avontuurlijke baan en de hoogste rente. Ik trok steeds aan het kortste eind en heb daar een solo-carriere van gemaakt. |
|
Het is weer zo'n dag om eindeloos te twijfelen. Die twijfel is meer dan een onvermogen om een keuze te maken. Iets in me weegt de opties af en kiest feilloos datgene wat het meest in mijn nadeel is. Bij iedere tegenligger op straat kan ik maar niet beslissen aan welke kant ik zal passeren. Tegelijkertijd blijf ik mezelf zo manouvreren dat ik constant in de weg sta. Bewust ben ik een en al twijfel, maar onbewust beschik ik over een bovenmenselijk reactievermogen. Ik sta versteld van al die nieuwe mogelijkheden die ik in de simpelste keuzen ontdek. Terwijl ik nog twijfel tussen aardappels en rijst, moet ik denken aan pannekoeken, gebakken banaan, crackers met sardientjes, of een falafel in het centrum. Zo gaat dat de hele dag door, zonder dat ik iets gedaan krijg. Het is alsof een kwade hersenkwab zich tegen me heeft gekeerd en in m'n achterhoofd ligt te schudden van het lachen. Ook op dit moment, om de worsteling met de zinnen van deze tekst, die ik niet had hoeven schrijven. |
|
Wat vroeger nog gewoon verveling was, Ik ben verstandig geworden. |
|
Vroeger kon ik mijn onrust niet verwoorden. Nu kan ik het niet uitspreken. Nee, geef me dan maar vroeger, toen het probleem bij mezelf lag. En niet in de omgang met anderen. |
|
De meesten slaan zonder aarzelen een vlieg dood. Anderen negeren het irritante beest, omdat doodslaan te veel moeite kost of tegen hun principes is. Ik zelf hecht veel meer waarde aan zo'n beslissing. Alle praktische en morele problemen zet ik zorgvuldig op een rijtje en gaandeweg worden ook mijn vooronderstellingen in kaart gebracht. Het is wikken en wegen. Maar wat is dat waard zonder daadkracht? Uiteindelijk sla ik het arme beestje half dood en voel ik me de rest van de dag een sadist. |
|
Vandaag poepte een vogel op mijn hoofd. |
|
Vandaag had ik zin om te douchen tot mijn vingers rimpelden. Ik wist al toen ik vanmorgen wakker werd dat ik toch niets zou kunnen uitvoeren. Net toen ik mezelf begon over te halen om er onder uit te gaan, kreeg ik water in m'n oor. Meestal is dat gemakkelijk verholpen door snel en hevig opzij te buigen, maar dit keer had ik in alle beweging de afstand tot de gootsteen verkeerd ingeschat, waardoor ik met mijn hoofd tegen die harde rand beukte. Het was een flinke klap, maar de pijn trok vrij snel weg. M'n oor zat nog vol water en ik merkte dat de wereld anders klonk. Dat bracht een jeugdherinnering boven. Als kind had ik eens water in mijn oor, toen ik naar het zwembad was geweest. Ik wist niet wat er aan de hand was en vroeg mijn toen alwetende moeder om advies: "Moet je horen. Er ruist iets als ik voorover buig." En ik boog voorover om het te laten horen. Mijn moeder zei: "Jogchem, je hebt water in je oor. Dat kan alleen jij horen." Ze liet zien hoe ik moest bewegen om het weer uit m'n oor te schudden. Ik deed haar na en het ruisen hield op. De wereld klonk al die tijd alleen anders in mijn oren. Ik vraag me af of ik toen voor het eerst begreep dat ieder in z'n eigen werkelijkheid leeft. |
|
Vanochtend probeerde ik eindelijk die extra haartjes tussen m'n wenkbrauwen weg te halen. Het vergde wat oefening om goed te coördineren met de pincet en het spiegelbeeld, die schijnbaar zo eenvoudige verlengstukken van het lichaam. Maar ik kreeg het onder de knie. Mijn wenkbrauwen waren van elkaar gescheiden, zoals wenkbrauwen horen te zijn. Ze waren nog niet volkomen symmetrisch, dus plukte ik nog wat haartjes weg. Dat zijn van die dingen waar je eigenlijk zo snel mogelijk mee moet stoppen. Geen enkel mens is volledig symmetrisch. Maar het ligt nu eenmaal in de menselijke aard -in ieder geval in mijn aard- om dit na te streven. Ik ben een perfectionist in het kleine, het nutteloze, het absurde, omdat perfectie daar bereikbaar lijkt. Gek genoeg heb ik het nog bereikt ook. Volledige symmetrie. Toch hoop ik dat mijn wenkbrauwen weer snel aangroeien. |
|
Vanavond ben ik lekker wezen zwemmen, net als iedere woensdagavond. Als de normale zwemuurtjes net zijn afgelopen, glip ik het zwembad in, tussen een groep verstandelijk gehandicapten. In het begin was dat wel even wennen, zowel voor hen als voor mij. Ze kennen me niet, maar laten me met rust. De groep bestaat uit patienten uit twee verschillende centra. Mensen van het ene centrum nemen steeds aan dat ik bij het andere centrum hoor. Zo kan ik me ongestoord tussen hen mengen. Het zijn van die zeldzame momenten dat ik me op m'n gemak voel tussen mensen. Het zijn mensen die zich niet volledig bewust zijn van alles en daarom des te meer trouw zijn aan hun eigen aard. Iets wat als afwijkend wordt ervaren door normale mensen. Verstandelijk gehandicapten hebben vrijstelling van de sociale druk ergens aan te moeten voldoen. Door mij hiertussen te mengen, geniet ik even hetzelfde voorrecht. De badmeesters en -juffen, die ik er normaal van verdenk over mij te praten, letten niet op me. Het is heerlijk. Als ik tijdens de recreatieve uren zou zwemmen, zouden die zich afvragen: "Is die jongen wel helemaal goed?" Nu vragen ze zich hoogstens af: "He, zou die jongen misschien normaal zijn?" Een veel prettiger idee. Nu maak ik me alleen zorgen over de begeleiders van de verschillende centra. Die kijken regelmatig naar me en komen steeds vaker met elkaar in gesprek. |
|
Deze pagina's zijn als de restjes zeep die je maar in het bakje opspaart voor het geval dat... Voor je het weet ligt daar een enorme klont die je hopelijk nooit hoeft te gebruiken. |
|
Jogchem2@dds.nl |