Iedereen is weleens op zijn eigen rouwdienst geweest. Het ligt voor de hand om je af te vragen hoe dat eruit zal zien. Wie zal er zijn en wat zullen ze zeggen? Zelf ben ik er regelmatig. In het begin hield ik me op een afstand. Later mengde ik me vrij tussen de gasten, die zich niet leken te verbazen over mijn verschijning.

Ik ben een vreemde gast, die de plechtigheid iedere keer volledig verandert, zonder dat iemand me iets kwalijk neemt. Ik verplaats de bloemen en zet andere muziek op. Ik zet mensen verder naar voren of achteren, breng ze aan het huilen, of laat ze gemene dingen denken. Sommigen stuur ik de kerk uit en anderen haal ik binnen: een of meerdere ex-vrouwen, kinderen, of zelfs kleinkinderen. De dominee, die iedere keer een andere preek krijgt voor te lezen, stuur ik soms de kerk uit, omdat ik niets met zijn overtuigingen te maken wil hebben. Alleen om hem later weer het altaar op te duwen, als ik me realiseer dat de dienst vooral bedoeld is voor de nabestaanden en mijn opvattingen er niet meer toe doen. De dienst is steeds anders, omdat ík steeds anders ben.

Hoe zou het zijn om aan het eind van mijn leven al deze versies van mezelf nog eens tegelijkertijd aan de slag te zien? Als een krioelende mierenhoop, steeds maar schikkend en herschikkend. Ik zie al hoe ze elkaar in de weg lopen, schreeuwende ruzie krijgen en touwtrekken met een vage kennis die al of niet genoeg om me zou geven om aanwezig te zijn. Wat zou ik, de uiteindelijke, dode ik, hiervan zeggen? Ik denk dat ik ze allemaal zou wegsturen. Ze hebben wel wat beters te doen.