|
Het idee dat ik zal sterven, heeft me nooit verontrust. Als het zo ver is, laat het dan maar gebeuren. Maar waar ik me aan stoor is dat de dood zich constant als mogelijkheid aanbiedt: wanneer ik uit het raam naar beneden kijk, op het station mijn trein zie naderen, langs het donkere water aan de overkant loop of gewoon een appeltje schil. Het is een optie, die steeds even moet worden overwogen en afgewezen. Zoals al mijn talenten, is ook dit vermogen om overal de dood in te zien volkomen nutteloos. Ik zal er nooit bewust voor kiezen, want ik heb nog nooit een keuze kunnen maken waar ik niet op terug kon komen. En wanneer het me overkomt, ben ik even machteloos als ieder ander. Stel: ik word getroffen door een komeet. Het enige voordeel wat ik dan heb -voor zover het een voordeel is te noemen- is dat het me niets verbaast. |
| |