| of Palamedes' schaauw....
Bij nacht de tenten kwam der rechteren doorwaren.... Die rezen op, verbaasd, met opgerezen haren.... En zagen daar een schim, mishandeld, bont en blaauw. // ''Wie komt ons'', riepen zij, ''in't duister dus vervaren?''.... Bij toortslicht sprak hij: ''Ik uw straf lees uit deez' blaren, die mijn onnozelheid ten rove gaaft aan't graauw.'' // Zij sidderden van schrik, zij vloden niet, zij vlógen.... Dan ginder, dan weer hier, voor't branden zijner ogen.... Hij stapt' hen na, en liet een bloedvlek waar hij trad. // Totdat de schemering, des dageraads ontlooken,.... D'angstvalligheid verdreef van't naar en ijs'lijk spoken.... En vond de vaderbeuls, door't knagen afgemat.
|
|