| zij schiet wortel in zijn web/
zijn web uit satéstokjes/ van die
vieze afhaalmaaltijd van eergisteren laat.//
zij trommelt driftig op zijn oor /
om het ritme van zijn passen/
te camouffleren,/ telkens als hij weer weggaat//
in zijn web vol etensresten en rauwe kleerscheuren/
werkt zij ijverig door,/
maar ze is geen naaister en
die bloeddruppels aan haar garen/
zijn verschrikkelijk goor.//
zij schiet wortel in zijn web/
maar toch heeft zij hem nog niet gevangen/
dus ze wacht, ook na 12en, /
voordat ze haar oogleden laat hangen//
zij slaapt zachtjes in zijn web/
en elk stokje knakt in 2en of zelfs vaker/
maar dat deert niet,/ want zij droomt.../
en daar is hij haar onvoorwaardelijke waker.//
|
|