| 'T en leed geen zeven jaarof Palamedes' schaauw / de tenten der rechteren kwam doorwaren. Die rezen op, verbaasd, met opgerezen haren / en zagen daar een schim, mishandeld, bont en blaauw. / Wie komt ons, riepen zij, int duister dus vervaren? Bij toortslicht sprak hij: Ïk uw straf lees uit deez'blaaren, die mijn onnozelheid / ten rove gaaft aant graauw....''/ Zij sidderden van schrik, zij vlooden niet, zij vloogen / Dan ginder, dan weer hier, voor't branden zijner ogen. Hij stapt'hen na, en liet een bloedvlek waar hij tradt.
/ Totdat de dageraad, de schemering ontloken / d'angstvalligheid verdreef / van't naar en ijslijk spoken. / En vond de vaderbeuls, door't knagen afgemat.
|
|